Pijler 2 : Ter herinnering, dit is de benaming voor het onderdeel van een internationale overeenkomst die in 2021 in het kader van de OESO werd gesloten tussen 136 landen, met als doel een wereldwijde minimumelasting van 15% in te voeren op de winsten var multinationale groepen met een geconsolideerde jaaromzet van meer dan 750 miljoen euro. Een jaar later, in 2022, verplichtte een gelijknamige EU-richtlijn de lidstaten om de “GloBE”-regels (Global anti-Base Erosion) van deze pijler op uniforme wijze in hun nationale wetgeving om te zetten. Deze uiterst complexe regels kunnen als volgt worden samengevat op basis van hun respectieve benamingen (vertaald uit het Engels en aanleiding gevend tot nieuwe barbaarse acroniemen in het internationale belastingrecht) :
- de regel inzake inkomeninclusie – IRR (of Income Inclusion Regel), voor de inhouding, door de woonstaat van de moeder van een beoogde groep, van de bijheffing op de winst van een buitenlandse dochteronderneming waarvan het effectieve belastingtarief (Effective Tax Rate –
- ETR) in haar woonstaat minder dan 15% zou bedragen;
- de regel inzake gekwalificeerde binnenlandse bijheffing (of Qualified Domestic Minimum Top-Up Tax – QDMTD), voor de inhouding door de staat van de dochteronderneming waarvan de winsten onvoldoende (door hem) zouden worden belast, van een bijheffing op de winsten van deze ingezeten dochteronderneming :
- de regel inzake onderbelaste winst (Undertaxed Profits Rule – UTPR), een soort vangnet waarmee een bijheffing kan worden geheven in de staat van een andere entiteit van de groep die noch de staat van de onvoldoende belaste dochteronderneming, noch de staat van de moedervennootschap is…
België, een goede leerling, heeft deze drie regels zeer getrouw omgezet, zelfs die van de QDMTT, die nochtans facultatief is. Het ging erom te voorkomen dat een andere staat een bijheffing zou inhouden op de winst van Belgische dochterondernemingen…, met als idee om ook enkele welkome belastinginkomsten binnen te halen, die in 2024 op 780 miljoen euro worden geraamd! Binnen de FOD Financiën is een dienst opgericht die zich volledig toelegt op de toepassing van Pijler 2 en die zich klaarmaakt om de eerste aangiften op dit gebied te ontvangen en te controleren. Deze aangiften werden verwacht op 30 november 2025 voor wat betreft de QDMTT, maar de FOD Financiën heeft heeft zojuist een uitstel aangekondigd tot 30 juni 2026, waardoor België uiteindelijk in lijn komt met de termijnen die in de meeste andere EU-landen zijn aangekondigd (terwijl het definitieve formulier voor deze QDMTT-aangifte nog steeds niet beschikbaar is op de website van de FOD Financiën….).
Maar deze ambitie van de tweede pijler van de OESO, die in deze mooie Europese en vervolgens nationale juridische mechanismen tot uiting komt, stuit vandaag de dag op een aantal obstakels in de geopolitieke realiteit:
- Buiten de EU hebben verschillende grote landen, waaronder China, India en de VS, al maanden geleden aangekondigd dat ze zich niet aan de regels van Pijler 2 zullen houden. Wat de VS betreft, heeft de G7 na een heftig debat met de Europese landen op 28 juni jongstleden een algemeen standpunt gepubliceerd waarin wordt aangegeven dat multinationale ondernemingen met een Amerikaanse moedermaatschappij zouden worden vrijgesteld van de IIR- en UTPR-regels, gezien de bestaande Amerikaanse minimale belastingregels waaraan zij onderworpen zijn, wat zou moeten leiden tot een wijziging van de Europese richtlijn Pijler 2.
- In de EU hebben verschillende lidstaten ervoor gekozen om de lIR- en UTPR-regels gedurende zes jaar (tot 2030) niet toe te passen, omdat er op hun grondgebied niet meer dan twaalf ‘uiteindelijke moedermaatschappijen’ zouden zijn (Slowakije, Malta, de Baltische staten). En in de landen die Pijler 2 zouden moeten toepassen, gaan er stemmen op om aan te klagen dat niet iedereen zich aan de regels houdt. In Duitsland heeft bondskanselier Metz deze zomer opgeroepen (voordat hij van gedacht veranderde) om de richtlijn op te schorten, omdat deze zonder de steun van de VS “niet haalbaar” zou zijn en de Europese economie zou schaden. Een denktank van het Europees Parlement uitte in september de vrees dat Pijler 2 door dergelijke uitzonderingen en een gefragmenteerde uitvoering van zijn inhoud zou worden ontdaan.
In België zou men kritiek kunnen uiten op een ‘omgekeerde discriminatie’, zoals werd aangekaart in een parlementaire vraag in Luxemburg, omdat een Belgische dochteronderneming van een EU-moedervennootschap onderworpen zou zijn aan de QDMTT-regel, terwijl dat niet het geval zou zijn voor een Belgische dochteronderneming met dezelfde activiteit maar met een moedervennootschap in de VS… Het Belgische Grondwettelijk Hof heeft ook een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie om te weten te komen of de regels van de richtlijn inzake UTPR geen inbreuk maken op de fundamentele beginselen van het primaire recht van de EU (eigendom, vrijheid van ondernemerschap, gelijkheid…).
Voor de betrokken vennootschappen in België zou, naast de extra belastingkosten, de administratieve overlast in termen van compliance kosten (aangifteverplichtingen, voorafbetalingen, enz.), met personeel dat zich volledig hiermee bezighoudt, hun concurrentievermogen kunnen schaden. Het gevolg hiervan is een ernstig risico dat Belgische dochterondernemingen van multinationale groepen naar andere landen verhuizen (die niet hetzelfde spel spelen…), wat de regering niet lijkt in te zien, omdat ze veel te verblind is door de verwachte inkomsten (waarvan de omvang meer dan twijfelachtig blijft) van de toepassing van Pijler 2 in een context waarin ze iedereen vraagt om bij te dragen aan de begrotingssanering.
Vandaar de vraag die zich, in deze tijden waarin Pijler 2 aan alle kanten barsten begint te vertonen, opdringt: zullen de EU-landen, of beter gezegd sommige daarvan, zoals België, als enigen het spel meespelen? Zullen ze, ten koste van hun aantrekkelijkheid en de rechtvaardigheid van het in 2021 gewilde systeem, zichzelf echt in de voet schieten…?
Denis-Emmanuel Philippe et Aymeric Nollet.
